Joelfeest

[:nl]Naargelang de verandering in weergesteldheid kende de jaarindeling in de Germaanse oudheid slechts twee tijdperken: zomer en winter. Het was de winter die het grootste belang kreeg in het geloof en gebruiken van onze voorouders. Voor de primitief denkende mens, die sterk met de natuur verbonden leefde, gebeurde er in deze tijd immers iets raadselachtigs: de natuur sterft schijnbaar.

De winterperiode zette in omstreeks eind september. De loeiende najaarstorm was voor de oude germanen de rondgang van Wodan op zijn wit ros, gevolgd door de geestesscharen die rampen en verderf konden zaaien doch wier gunsten konden verworven worden door offergaven.

Echte offers werden door zinnebeeldige vervangen en toen men van de Romeinen de baktechniek leerde, deden de offerbroden en -koeken hun intrede. Dieren, vooral zwijnen, en voorwerpen die vroeger werden geofferd, werden in de bakvorm nagebootst.

De “Joeltijd” vormde het einde van de winterfeesten. Algemeen neemt men aan dat deze joeltijd liep over een periode van 12 tot 20 dagen met als hoogtepunt het eigenlijke “Joelfeest” op de langste nacht : Midwinter of Winter-Zonnewende.

De joeldagen stonden in het teken van de nieuwe zonnetijd, komende lente en vruchtbaarheidscultus en het is dan niet verwonderlijk dat licht en vuur de hoofdelementen vormen in de gebruiken: fakkeldansen, vreugdevuren op hoge bergen om de zon te lokken, het vuurrad dat brandend de heuvels afrolde als zinnebeeld van de zon die haar warmte en licht weldadig over de aarde uitspreidt.

Joelfeest in vreugdefeest. Vreugde omdat de dagen weer lengen, de zon meer en meer warmte zal toesturen.
Op het joelfeest dronk men speciaal gebrouwd bier en at men joelkoeken, gebakken met graan afkomstig van de laatst geoogste garve en dat een bijzondere kracht zou bezeten hebben. Naar de offers en offerkoeken van de oude Germanen zijn de vormen van deze joelkoeken veelal dierenfiguren; verder ook raderen, harten en levensbomen.

Een belangrijk element was ook de “Joelblok”. Een blok eikenkersen of pruimenhout moest blijven branden tot het einde van de joeltijd. Doofde hij vroegtijdig dan was dit alvast een slecht voorteken voor het komend jaar. De blok werd besprenkeld met water en zo dacht men dat het branden van het vuur invloed zou uitoefenen op de zon, en het uitgegoten water op de regen…

De joeltijd was ook de bijzonderste spooktijd van het jaar. In Oostenrijk trekken nu nog, verkleed en dansend, de “Perchten” door de dorpen. De vruchtbaarheid wordt uit de grond gestampt, kwade geesten verjaagd door zwaaien met doeken, klappen van lange zwepen en rinkelen van bellen.

Verschaeve schreef dat midden in de nacht de dag wordt geboren. Zo hebben onze voorouders het ook aangevoeld en met allerlei ritueel willen begunstigen dat midden in de winter het nieuw leven wordt geboren.

Het lag dan ook voor de hand dat na de kerstening ook het feest van het “Nieuw Licht dat elke mens verlicht” – Kerstmis – omtrent de zonnewende werd geplaatst.

[:en]This page is still in translation, sorry for the inconvenience ![:]