Schuttersfeest

[:nl]In het oude graafschap Vlaanderen en vooral in het hertogdom Brabant zijn de schuttersverenigingen als echte schuttersgilden ontstaan, waarbij ‘schutters’ is afgeleid van ‘schutten – beschutten’ en niet van ‘schieten’.
De oorsprong van deze gilden is te vinden in de volksweerbaarheid, de zorg voor bescherming van het goed, familie en stam.

Naarmate de steden groeiden en een betere verdediging kregen – grachten en muren – werden krijgslieden aangesteld als bewakers van de poorten. Deze boogschutters evolueerden van stadswacht tot schuttersgilde met betrekkelijke zelfstandigheid en privilegies. Naar het voorbeeld van deze stedelijke instellingen ontstonden op het platteland ook dergelijke gilden. Deze waren niet alleen ingesteld op bescherming van eigen haard, maar tevens op ‘schutten’ van de ‘heerlijke goederen’. Daarom hebben de grondheren deze gilden immer rijkelijk gesteund en zo heeft menige gilde haar ontstaan te danken aan de zelfzucht van de plaatselijke jonker.

Waar eertijds de voornaamste bezigheid der gilde bestond in het beoefenen van de wapenkunst door schietingen op doelen terwijl het feesten of ‘teren’ bijzaken was, gebeurde het wel dat op bepaalde plaatsten feesten hoofdzaak werd…
Het jaarlijkse teerfeest werd gehouden op de feestdag van de patroonheilige en kon soms drie dagen duren. Buiten dit teerfeest waren er nog meerdere gelegenheden voor eten en drinken waaronder als bijzonderste: de jaarlijkse koningschieting die op sommige plaatsen nu nog volgens een eeuwenoud ceremonieel verloopt, van aankondiging met ‘beschrijfbrief’ tot vendelzwaaien ter ere van de nieuwe koning en feestelijk maal.

Bij allerlei gebeurtenissen in ’t dorp was de gilde van de partij en dit toont wel aan hoezeer zij het middelpunt van het dorpsleven waren. Factoren die het voortbestaan van de aloude gilden waarborgden waren: dit verband met het gehele dorps- en volksleven, het vasthouden aan de traditie, maar vooral ook de godsdienstige basis waarop het gildeleven was gebouwd.
Elke gilde bezat een patroonheilige en haar altaar in de kerk waar jaarlijks de gildemissen gezongen werden. De gildebroeders waren daarenboven, op straf van boete, verplicht deel te nemen aan de drie jaarlijkse processies: Sacramentsprocessie, Sinksenommegang en Kermisprocessie.
Elke gilde had haar vaste plaats in de optocht en de gildebroeders stonden er op dat de traditie stipt werd nagevolgd: de oudste gilde gaat dichts bij het H. Sacrament, dus laatst; dit in tegenstelling met de profane optochten waarin de oudste gilde voorop stapte.

Talrijk zijn echter de gemeenten die na de tweede wereldoorlog door industrialisatie zijn uitgegroeid boven de eenvoud en het gemoedelijk karakter van landelijke dorpen en dit was gewoonlijk tevens het einde van het gildeleven.[:en]This page is still in translation, sorry for the inconvenience ![:]